www.motief.org

Vorming op het snijpunt van levensbeschouwing en samenleving

Slide 1

Abonneer je op onze digitale nieuwsbrief

...

Over Motief

Vorming

Projecten

Publicaties

Solidariteitsfonds

Deelnemers vertellen

Missie en visie

Hier vindt u teksten over de missie en visie van vzw Motief

Willem Schinkel

Leven in een tijd van sociale hypochondrie 

Onze samenleving gedraagt zich als een paranoïde, onzekere patiënt die het eigen lichaam voortdurend ligt te onderzoeken op mogelijke kwalen, die achter elk pijntje een ongeneeslijke ziekte vermoedt, en panisch is voor gevaarlijke bedreigingen van buitenaf die zijn gezonde maar broze lijf zouden kunnen besmetten of ten gronde richten. Zo kijkt Willem Schinkel naar een superdiverse samenleving in een tijd van ‘sociale hypochondrie’.

Willem Schinkel is theoretisch socioloog en professor aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hij publiceert onder andere over de staat, (de)politisering, de democratie en integratie. Schinkel staat vooral bekend om zijn pleidooi voor de afschaffing van het integratiebeleid omdat het concept ‘integratie’ - in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt - niet insluitend maar uitsluitend werkt. Deze visie op integratie formuleert hij uitgebreid in zijn boek ‘Denken in een tijd van sociale hypochondrie’.

We leven volgens Schinkel in een tijd van ‘sociale hypochondrie’. Daarmee bedoelt hij dat onze samenleving aan ziektevrees lijdt. Ze ziet overal bedreigingen, maar ligt in feite vooral met zichzelf overhoop. De samenleving is als een patiënt die droomt van een gezond lichaam, vrij van problemen. Een gezond lichaam stelt ze zich voor als een samenleving waarin eenheid heerst, waarin iedereen hetzelfde is en er geen cultuurverschillen bestaan. Cultuurverschillen ziet ze immers als een bedreiging voor de eigen gezondheid: ze veroorzaken allerlei sociale problemen zoals criminaliteit, armoede, schooluitval, werkloosheid,... Ook al wijst onderzoek voortdurend uit dat cultuur niet de oorzaak van deze sociale problemen is, toch blijft de hypochonder overtuigd van haar eigen ideeën. Schinkel noemt dit ‘culturisme’.

De zuivere, probleemloze samenleving waar de hypochonder van droomt, bestaat niet in de werkelijkheid. Toch wordt die ingebeelde samenleving vaak voorgesteld als een realiteit, die we bovendien angstvallig moeten beschermen tegen alles wat haar gezondheid en eenheid bedreigt. De bezorgdheid om de eenheid en orde van de samenleving komt bijvoorbeeld sterk tot uiting in de vluchtelingencrisis. De vluchteling wordt niet meer gezien als iemand die op de vlucht is voor een mensonwaardige situatie, maar simpelweg als iemand die ‘anders’ is: hij brengt allerlei cultuurverschillen met zich mee die onze samenleving in gevaar brengen. Het zijn niet meer mensen maar waarden die komen en daarbij onze ‘Europese’ of ‘Westerse’ waarden ondermijnen. Het debat over vluchtelingen gaat daardoor meer over onze eigen angsten en wensen dan over een oprechte bekommernis om de ander.

Vluchtelingen, maar ook andere minderheden (waaronder vooral dan moslims), worden met andere woorden permanent voorgesteld als een vijand die van buiten het gave lichaam tracht binnen te dringen. Als oplossing voor deze bedreiging wordt ‘integratie’ naar voor geschoven. Schinkel stelt dat dit een schijnoplossing is. Integratie heeft zogezegd als doel de scheiding tussen ‘leden van de samenleving’ en ‘niet-geïntegreerde leden’ op te heffen, maar in werkelijkheid benadrukt dit begrip volgens hem alleen dat ’andere’ culturen (nog) niet tot onze samenleving behoren. Hoewel moslims, vluchtelingen, nieuwkomers,... zich in de werkelijkheid in onze samenleving bevinden, wordt het voorgesteld alsof ze er buiten staan, alsof ze er geen deel van (mogen) uitmaken. Opnieuw is de manier waarop we met vluchtelingen omgaan een treffend voorbeeld: er wordt massaal ingezet op inburgeringscursussen en vormingstrajecten waarin vluchtelingen over onze waarden leren zodat ze die kunnen internaliseren. Van eetgewoontes tot flirtcursussen: het verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’ wordt op alle levensdomeinen benadrukt.

De huidige opvatting van integratie gaat volgens Willem Schinkel bovendien samen met een merkwaardige paradox. Enerzijds wordt integratie gezien als de individuele verantwoordelijkheid van ‘de ander’, maar anderzijds leeft eveneens het idee dat de cultuur van ‘de ander’ ervoor zorgt dat hij niet geïntegreerd is. Er helemaal bij horen wordt voor minderheden op die manier onmogelijk, want elk cultuurverschil op zich wordt gezien als een gebrek aan integratie.

Met Motief herkennen we ons sterk in de analyse die Willem Schinkel over het integratiedebat maakt. In onze vormingen dagen we deelnemers uit om culturele of levensbeschouwelijke diversiteit niet als een bedreiging te zien, maar als een essentieel kenmerk van onze samenleving. Minderheden zijn geen lichaamsvreemde elementen die afgestoten moeten worden, maar maken ten volle deel uit van onze superdiverse samenleving. Deze manier om naar ons eigen ‘lichaam’ te kijken, is essentieel om de uitdagingen waar we vandaag voor staan, constructief en duurzaam aan te pakken. We proberen in onze vormingen denk- en praktijkoefeningen te maken vanuit ‘een nieuw wij’. Hierbij worden minderheden niet buiten, maar binnen de samenleving geplaatst en maken ze ten volle deel uit van het proces waarin we samen toekomst ontwerpen. Daarnaast proberen we ook weerwerk te bieden aan het ‘culturisme’, door bijvoorbeeld te laten zien hoe sociale, politieke en economische factoren mee aan de basis liggen van maatschappelijke problemen als criminaliteit, gewelddadige radicalisering, werkloosheid,…

Leestips

  • Schinkel, W. (2007). Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij. Uitgeverij Klement: Kampen (517 p.)

  • Schinkel, W. (2008). De gedroomde samenleving. Uitgeverij Klement: Kampen (160p).

 

Laat de Verlichtingsidealen niet aan de ketting leggen

 

afbeelding: https//hshidayat.wordpress.com

Vandaag wordt door politici, opiniemakers en media vaak naar ‘de Verlichting’ verwezen. Opvallend is dat dit vooral gebeurt wanneer het gaat over integratie, moslims, niet-Westerse culturen of godsdienst. Steevast wordt de Verlichting dan voorgesteld als een periode die de Westerse geschiedenis compleet veranderd heeft en die alle volkeren eigenlijk zouden moeten doormaken. Want – zo gaat het verhaal – sinds de Verlichting laat de Westerse mens zich niet langer onderdrukken door godsdiensten, tradities of koningen. Hij gelooft in democratie, godsdienstvrijheid, vrijheid van meningsuiting en mensenrechten. Hij is ervan overtuigd dat man en vrouw, blank en zwart, hetero en holebi gelijk behandeld moeten worden. Buiten het Westen – zo gaat het verhaal verder – hebben mensen die evolutie niet doorgemaakt. Ze laten hun doen en laten nog te veel door hun godsdienst bepalen, ze zijn onverdraagzaam ten aanzien van andersdenkenden. Vaak wordt het verhaal besloten met: Nu globalisering, oorlogen, migratie,… ervoor zorgen dat we in het Westen intensief met andere culturen in aanraking komen, staan de Verlichtingswaarden ook in het Westen onder druk. Daarom moeten we moslims, gelovigen, mensen met een migratie-achtergrond,... verplichten om deze waarden te erkennen en te respecteren. Vanuit deze benadering van ‘de Verlichting’ gaat men mensen in twee categorieën opdelen: zij die reeds Verlicht zijn enerzijds, en zij die deze evolutie nog door moeten maken anderzijds. Met dit onderscheid worden vervolgens groepen tegenover elkaar gezet : moslims tegenover niet-moslims, migranten tegenover autochtonen, gelovigen tegenover vrijzinnigen of atheïsten. Daarbij wordt steevast de eerste groep als minderwaardig, achterlijk, barbaars, en zelfs gevaarlijk voorgesteld. De tweede groep wordt als beschaafd, kritisch denkend, ethisch en intellectueel superieur voorgesteld. Wat deze laatste groep ook meteen de legitimiteit geeft om de vrijheid en de gelijke rechten van de ‘nog-niet Verlichte’ groepen te beperken: (enkel) bij moslims moet thuisonderwijs strenger gecontroleerd worden, de hoofddoek wordt op school verboden, jongeren die op Facebook kritiek uiten op Charlie Hebdo krijgen de politie over de vloer,…

Dat Verlichtingswaarden worden gebruikt om bepaalde bevolkingsgroepen als gevaarlijk of dom voor te stellen, en om hun rechten in te perken, is allesbehalve nieuw. Het gebeurde al… tijdens de Verlichting. Zo stelden bijvoorbeeld Voltaire, Rousseau en Kant dat het gevaarlijk zou zijn om vrouwen, ongeschoolde mensen (de meerderheid van de bevolking dus) en mensen uit de kolonies evenveel rechten en vrijheden te geven als blanke geschoolde mannen. Vrouwen, ongeschoolde mensen, zwarte mensen,… waren volgens hen te weinig rationeel en dus niet in staat om in te zien wat in het algemeen belang is. Zij waren dan ook geen voorstanders van democratie, maar pleitten voor een sterke staat, geregeerd door verlichte leiders, die op basis van hun redelijke vermogens, en bijgestaan door verlichte filosofen, zouden beslissen wat in ieders belang was.
Nochtans waren er ook Verlichtingsdenkers die een andere mening toegedaan waren. Zij vonden dat alle burgers – dus ook vrouwen, ongeschoolde mensen, mensen uit de kolonies – dezelfde rechten en vrijheden zouden moeten krijgen. Zij zagen geen heil in een sterke staat, maar pleitten voor een democratisch bestuur, waarin alle burgers het recht hadden om verzet en kritiek te uiten. Helaas werden zij door de gematigde denkers en de toenmalige machthebbers weggezet als gevaarlijk en radicaal en naar een duister hoekje van de geschiedenis verbannen. Vandaar dat de namen van denkers als Diderot, Volney, Mirabeau, Barlow, Priestley, Raynal, Paine, Price en de Condorcet,… ons vandaag veel minder bekend in de oren klinken dan die van de gematigde Verlichtingsdenkers zoals Hume, Voltaire en Rousseau.

De Verlichtingsdenkers verschilden echter niet alleen van mening over hoe de overheid moest georganiseerd worden. Zo waarschuwde de Franse filosoof Diderot ervoor dat het emancipatorische pleidooi om mensen door hun eigen inzicht en rede te laten leiden in plaats van door religieus gezag, voor sommigen als een onderdrukkende nieuwe religie begon te functioneren. Hij klaagde aan dat heel wat verdedigers van de rede er een erg negatief mensbeeld op na hielden. Ze stelden bijvoorbeeld dat mensen niet zomaar in staat zijn om goede keuzes te maken, maar dat ze eerst moeten leren om hun gevoelens en instincten te onderdrukken. Mensen moeten met andere woorden gedisciplineerd worden. Ze mogen er niet naar streven om hier en nu van het leven te genieten, maar moeten deze verlangens ondergeschikt maken aan het algemeen belang. Dat algemeen belang kan alleen door redelijke, reeds verlichte mannen bepaald worden. Op deze manier werden vooral onderdrukte groepen voorgehouden dat het normaal was dat zij niet hier en nu al van het leven konden genieten.
Diderot benoemde dit als een nieuwe ‘religie’, omdat dit verhaal volgens hem alle kenmerken had van de christelijke religie zoals hij die kende: het lichaam werd als iets negatiefs gezien, gewone mensen werden niet in staat geacht te begrijpen wat goed of slecht is, het bedwingen van het verlangen naar geluk werd als iets positiefs voorgesteld, er werd mensen een ideaal en onbereikbaar mensbeeld voorgehouden,…

Het inzicht dat ook niet-religieuze en zelfs anti-religieuze verhalen als een religie kunnen werken, is ook vandaag een echte eye-opener. Het is een interessant perspectief om kritisch naar onze samenleving te kijken en bloot te leggen welke mensbeelden, waarden en normen ons vandaag pogen te disciplineren. Hoe hoort een mens zich te gedragen om als ‘waardevol’ beschouwd te worden? Met welke argumenten wil men ons vandaag laten geloven dat we niet zomaar kunnen doen wat ons goed dunkt of opeisen wat een basisrecht is? Wie vertelt ons vandaag dat we offers moeten brengen, ons welzijn nog wat moeten uitstellen? Welke onhaalbare idealen worden ons vandaag voorgehouden? Welke religie doet ons geloven dat we de groeiende kloof tussen arm en rijk toch moeten zien als een vooruitgang voor allen? Op elk van deze vragen kunnen we vandaag antwoorden: het neoliberalisme. Mensen worden immers in de eerste plaats gewaardeerd om wat ze bijdragen aan de economie, om hun prestaties op de arbeidsmarkt. Wie niets of onvoldoende bijdraagt, heeft niet het recht om hier en nu van het leven te genieten. Doe je dat toch, dan word je als een profiteur, een luierik of een egoïst beschouwd. Ben je lui, dan worden je rechten ingeperkt. Pas als je je plichten vervuld hebt, krijg je je rechten. Ook gaat er een sterke disciplinerende kracht van het neoliberalisme uit: we mogen niet klagen, maar moeten harder werken om de economie draaiende te houden, of crisissen het hoofd te bieden. Pas als de crisis voorbij is, mogen we er weer aan denken om gelukkig te zijn. Maar voorlopig moeten we onze verlangens opzij schuiven. Ook wordt voortdurend herhaald dat gewone mensen niet kunnen snappen hoe de economie werkt, of te egoïstisch denken om de juiste beslissingen te nemen. Daarom kunnen ze zich beter laten leiden door economische specialisten en technocraten. Ook hier gaat het om een verhaal dat op het eerste gezicht geen religie lijkt, maar er toch veel kenmerken van heeft. Het neoliberalisme als een religie beschouwen, betekent bovendien dat je dit niet als een natuurwet hoeft te beschouwen. Je kunt er andere mensbeelden, normen en waarden tegenover zetten.

De religiekritiek van de Verlichtingsdenkers is dus een interessante invalshoek om naar onze hedendaagse samenleving te kijken. Bovendien laat het wedervaren van de zogenaamde radicale Verlichtingsdenkers zien dat kritische en emancipatorische bewegingen vaak het risico lopen om door machthebbers ‘ingepakt’ te worden en onschadelijk gemaakt te worden. Soms worden hun argumenten en ideeën zelfs gebruikt om de machtsverschillen die ze proberen te doorbreken, opnieuw te bevestigen. Dat is een mechanisme dat we op heel wat plekken zien terug komen. Zo wordt bijvoorbeeld de strijd van vrouwen om kledij te dragen die niet beantwoordt aan de normen van de katholieke kerk vandaag ook gebruikt om de hoofddoek als een onderdrukkend kledingstuk voor te stellen en moslimvrouwen het recht op het dragen van een hoofddoek te ontzeggen. De vraag van werknemers om arbeid en gezin beter op elkaar af te stemmen en flexibele werktijden te krijgen, wordt door een aantal werkgevers gebruikt om van al hun werknemers te eisen dat ze op onregelmatige uren werken en altijd bereikbaar zijn. Het pleidooi van mensen die de bureaucratisering en het paternalisme in de zorg aanklagen, en pleiten voor zorg op maat en meer inspraak (participatie), wordt vandaag gebruikt om het zorgaanbod vanuit de overheid af te bouwen en zorgebehoevenden en hun omgeving zelf te laten opdraaien voor de organisatie van de zorg. Het recht op vrijheid van meningsuiting wordt gebruikt om racistische uitspraken te verdedigen en om mensen die racisme aanklagen, het zwijgen op te leggen. En zo kunnen we nog even doorgaan.

De scherpe verschillen tussen de verlichtingsdenkers laten zien dat de zogenaamde Verlichtingswaarden allerminst verworven zijn, maar voorwerp van discussie en tegenstellingen vormen. Ze laten zien dat het vaak zelfverklaarde verdedigers van de Verlichting zijn die de Verlichtingsidealen niet consequent toepassen of willen afzwakken. De bedreiging van de ‘Verlichtingswaarden’ komt dus niet noodzakelijk van buitenaf…
In onze samenwerkingsverbanden gaan we met Motief dan ook op zoek naar organisaties en mensen die de geschiedenis van de Verlichting ernstig nemen en niet meedoen aan het simplistische wij-zij-verhaal dat doorgaans over de Verlichting opgehangen wordt. In het spoor van de kritische Verlichtingsdenkers voelen we ons uitgedaagd om te streven naar een radicale toepassing van democratie, godsdienstvrijheid, vrijheid van meningsuiting en van mensenrechten: als een recht voor allen. Niet enkel voor een witte, seculiere, kapitaalkrachtige… elite.
Daarnaast nemen we zeker ook de waarschuwing mee om wantrouwend te zijn wanneer dominante stemmen een kritisch of emanicpatorisch verhaal lijken over te nemen. Want heel vaak vullen zij idealen als zelfbeschikking, participatie, meningsuiting ànders in dan de groepen die deze rechten voor zichzelf opeisen. Zo houden ze de bestaande machtsverschillen in stand.

Leestips


Afbeelding: https//hshidayat.wordpress.com

Nadia Fadil

Ook de keuze voor onderwerping kan tot emancipatie leiden 

Nadia Fadil is doctor in de sociale wetenschappen en als docent verbonden aan de vakgroep antropologie van de KULeuven. Ze doet onderzoek naar racisme, interculturaliteit en religie. Daarnaast neemt ze ook regelmatig deel aan het maatschappelijk debat rond deze thema's, door opiniestukken te schrijven, acties te ondersteunen, deel te nemen aan debatten of interviews te geven. Niet zelden neemt ze daarin ook linkse organisaties op de korrel. Ook binnen deze kringen botst ze immers vaak op wantrouwen tegenover moslims en etnisch-culturele minderheden.

Eén van de redenen waarom minderheidsgroepen vaak niet ernstig worden genomen, ligt volgens Nadia Fadil in ons gangbare taalgebruik. De invulling die bepaalde termen krijgen, wordt volgens haar sterk gekleurd door de geschiedenis en ervaringen van de dominante groepen in onze samenleving. Deze invulling sluit de ervaringen en geschiedenis van minderheidsgroepen uit.

Neem nu bijvoorbeeld begrippen als 'vrijheid' en 'emancipatie'. In de gangbare definities van deze begrippen komt heel vaak iets terug als 'je eigen keuzes kunnen maken' of 'je leven kunnen leiden volgens je eigen keuzes'. Dat is niet toevallig. De West-Europese geschiedenis wordt gekenmerkt door processen van secularisering en individualisering. Deze geschiedenis beïnvloedt ook de manier waarop in deze regio doorgaans gedacht wordt over emancipatie en vrijheid. In dit denken ben je geëmancipeerd en vrij als je je hebt losgemaakt van de macht van religieuze en politieke instellingen, als je je niet laat leiden door de sociale druk uit je omgeving, enzoverder, maar door je eigen keuzes. Hoewel er uit verschillende hoeken (onder andere door een aantal feministische groepen) kritiek gekomen is op deze opvatting van emancipatie, blijft ze toch goed stand houden. Als moslims dan zeggen dat zij de vrijwillige keuze maken om zich te onderwerpen aan de wil van Allah, dan botst dat met deze gangbare invulling van vrijheid en emancipatie. Deze personen kiezen er immers zelf voor om zich niet in de eerste plaats te laten leiden door eigen keuzes of inzichten, maar door de principes van de islam. Omdat vrijheid en onderwerping doorgaans als elkaars tegengestelde worden gezien, worden moslims die over onderwerping spreken, vaak aan de kant geschoven als 'nog niet geëmancipeerd', 'dom', 'fundamentalistisch' of 'radicaal'. Ze worden beschouwd als een groep die niet thuis hoort in een Westerse, moderne samenleving. Zo krijgt een moslima die haar recht op het dragen van een hoofddoek verdedigt op basis van het recht op godsdienstvrijheid, doorgaans meer bijval dan een moslima die haar keuze voor de hoofddoek motiveert 'omdat Allah dat van haar vraagt'. Nochtans maken beide moslima's een vrijwillige keuze voor de hoofddoek. Ook in de hulpverlening ervaren moslims vaak dat het als 'ongezond' of 'verkeerd' wordt beschouwd wanneer ze aangeven dat ze zich bij moeilijke keuzes laten leiden door religieuze principes of regels.

In haar onderzoek laat Nadia Fadil zien dat ook de keuze voor onderwerping tot emancipatie kan leiden. Zij beschrijft hoe de onderwerping aan Allah moslims de kracht kan geven om tegen de dominante stroom in te gaan, om zich niet zomaar te laten leiden door wat 'in' is of 'normaal' wordt gevonden. Dit brengt hen ertoe om dominante normen en waarden in vraag te stellen. Zo plaatsen zij bijvoorbeeld kritische vraagtekens bij het verheerlijken van de individuele vrijheid en wijzen ze op de nadelige gevolgen hiervan voor kwetsbare groepen. Volgens Nadia Fadil tonen religieuze bewegingen ons dat mensen verschillende opvattingen van vrijheid kennen en kunnen bereiken. Ze roept feministen, emancipatiewerkers, linkse organisaties,… dan ook op om in deze groepen bondgenoten te zien, die kunnen helpen om dominante waardenkaders kritisch in vraag te stellen.

Nadia Fadil daagt ons uit om mensen uit minderheidsgroepen ernstig te nemen en te beluisteren, ook al lijken ze een 'vreemde' taal te spreken en gebruiken ze termen die in veel oren 'fout' klinken of negatieve associaties oproepen. Dit is een uitdaging die we met Motief zeker willen opnemen. Ze sluit ook helemaal aan bij onze keuze voor het actief pluralisme. Bij actief pluralisme hebben dominante groepen niet het alleenrecht om te beslissen wie er al dan niet bij de samenleving hoort en op basis van welke criteria. Zowel dominante als minderheidsgroepen moeten zich verantwoorden voor de keuzes die ze maken. Dat betekent dat niet alleen “afwijkende” visies en praktijken in vraag gesteld worden, maar ook “dominante”. Concreet willen we in onze vormingen voor hulpverleners en voor mensen die rond emancipatie werken, proberen om verschillende opvattingen over vrijheid en emancipatie te laten klinken. Maar ook in het debat over de zogenaamd 'geradicaliseerde moslimjongeren' lijkt het ons een belangrijke uitdaging om in alle ernst te luisteren naar de kritische vragen en analyses die deze jongeren opwerpen.

Lees- en luistertips

Chantal Mouffe

Pleidooi voor een radicale democratie 

Chantal Mouffe is een Belgische politicologe. Ze doceert aan de Universiteit van Westminster in Groot-Brittannië. Haar boek Over het Politieke is een weg-wijzer in een wereld waarin veel mensen het gehad hebben met ‘de politiek’ en waarin culturele tegenstellingen belangrijker lijken dan politieke tegenstellingen. Chantal Mouffe leert ons politieke debatten op een andere manier te bekijken en houdt ons enkele boeiende uitdagingen voor.

Als we kijken naar de standpunten van de grote hedendaagse politieke partijen, dan lijken die er ons allemaal van te willen overtuigen dat er geen alternatief is voor het neoliberale kapitalisme. Daarover lijkt een algemene consensus te bestaan. Met ideeën als ‘de derde-weg’ (oa Tony Blair) en ‘de actieve welvaartsstaat’ (oa Frank Vandenbroucke) pleiten linkse partijen wel voor het bijschaven of corrigeren van de scherpe kanten van het neoliberale kapitalisme, maar ze streven niet naar een alternatief economisch model. Vandaar ook dat we de voorbije jaren steeds vaker horen dat links en rechts eigenlijk niet zoveel van elkaar verschillen, of dat dit onderscheid achterhaald is.

Dat is volgens Chantal Mouffe niet alleen moordend voor het politieke debat, maar ook voor de democratie. Het ontbreken van duidelijke tegenstellingen zorgt er immers voor dat mensen zich steeds minder interesseren voor de politiek, dat ze minder vertrouwen hebben in democratische instellingen, dat ze niet meer gaan stemmen en dat anti-democratische partijen meer aantrekkingskracht krijgen. Dan lonken slogans zoals ‘eigen volk eerst’. In de plaats van de oude tegenstelling tussen links en rechts, wordt een nieuwe tegenstelling op de voorgrond gezet, namelijk tussen “het Westen” en “de islam”. Zo worden maatschappelijke problemen en tegenstellingen voorgesteld als culturele of levensbeschouwelijke verschillen. De discussies gaan dan niet meer over economische of sociale tegenstellingen en machtsverhoudingen, maar over assimilatie en integratie.

Als we echt democratie willen, dan moeten we volgens Chantal Mouffe het streven naar consensus achterwege laten. Een echte democratie – zij noemt het “radicale democratie” – kan niet zonder duidelijke tegenstellingen tussen links en rechts. Links en rechts hebben immers een heel andere visie over hoe principes als ‘gelijkheid’ en ‘vrijheid voor allen’ concreet ingevuld moeten worden. In die zin zijn ze elkaars tegenstanders in de strijd om de inrichting van de samenleving. Anderzijds erkennen ze wel dat de politieke strijd die ze voeren, gevoerd moet worden volgens de democratische regels en procedures. Ze zijn elkaars tegenstanders, maar niet elkaars vijanden. Chantal Mouffe noemt dit het verschil tussen ‘agonisme’ en ‘antagonisme’.

Om het idee te doorbreken dat er geen alternatief zou zijn voor het neoliberale kapitalisme, moeten nieuwe en oude sociale bewegingen de krachten bundelen en samen een tegenkracht vormen. Zo’n tegenkracht vormen zal niet gemakkelijk zijn, waarschuwt Chantal Mouffe. De groepen die zo’n tegenkracht moeten vormen, botsen immers op heel wat vlakken met elkaar, bv in de strijd tegen seksisme, racisme, armoede,... Chantal Mouffe pleit ervoor die tegenstellingen niet in de kiem te smoren, maar eenheid na te streven door enerzijds te zoeken naar een gemeenschappelijk project én door een gemeenschappelijke tegenstander aan te duiden, namelijk de (rechtse) verdedigers van het neoliberale kapitalisme. Op die manier is het mogelijk een pluralistische tegenkracht uit te bouwen, die zelf niet in consensus-denken vervalt. Een voorbeeld van zo’n pluralistische tegenkracht is Syriza in Griekenland, dat een breed links ‘wij’ kan mobiliseren op basis van een écht alternatief voor het tot dan gevoerde beleid van een rechts ‘zij’ in een effectieve strijd om de politieke macht.

De analyse van Chantal Mouffe is niet alleen boeiend omwille van haar kritiek op de neoliberale consensus. Ze houdt ook een belangrijke waarschuwing in voor iedereen die zich engageert voor maatschappelijke verandering. Velen trappen volgens Chantal Mouffe in dezelfde val als de verdedigers van de neoliberale consensus: Ze zien hun strijd als de weg naar een betere samenleving, waarin de tegenstellingen tussen man en vrouw, arm en rijk, blank en gekleurd, links en rechts,… op een dag verdwenen zullen zijn. Ze hopen op een harmonieuze samenleving, waarin de verworvenheden waarvoor ze gestreden hebben, niet meer teruggedraaid zullen worden. Als we radicaal voor democratie kiezen, dan betekent dat volgens Chantal Mouffe echter dat er nooit een harmonieuze samenleving, een allesomvattend compromis, of een eindoverwinning zal bereikt worden. Zoiets zou alleen in een repressieve dictatuur mogelijk zijn. In een democratie zijn er permanent tegenstellingen en conflicten tussen linkse en rechtse maatschappijvisies, tussen belangengroepen. Afspraken en compromissen zijn altijd tijdelijk en kunnen altijd opnieuw in vraag gesteld, aangepast of opgeheven worden. Dié realiteit onder ogen zien, en ook voortdurend verrekenen in de manier waarop je de maatschappelijke strijd en mobilisatie organiseert, is essentieel, betoogt Mouffe.

Aanvaarden dat democratie eeuwige strijd is, is niet eenvoudig. Het betekent dat ook wij moeten aanvaarden dat onze strijd nooit voltooid zal zijn. Dat we, na elke kleine overwinning, altijd opnieuw ‘aangevallen’ zullen worden. Chantal Mouffe daagt ons dan ook uit om realistisch in de strijd te staan en geen valse hoop te koesteren. Dat is belangrijk als we onze moed, energie en motivatie niet willen verliezen. We moeten een lange-termijn perspectief voor ogen blijven houden. Haar visie roept ons op om elkaar hierin te ondersteunen, bijvoorbeeld door pluralistische bondgenootschappen aan te gaan, door kleine overwinningen te vieren, door te beseffen dat ook de overwinningen van ‘de tegenstander’ slechts voorlopig zijn.

Leestips

Paulo Freire

'Het algemeen belang' betekent meestal het belang van de heersende klasse

Paulo Freire (1921-1997) geldt als een ‘klassieker’ in de kritische pedagogie. Freire ontwikkelde zijn visie als alfabetiseringswerker in Brazilië, als docent Portugees en als hoogleraar geschiedenis en filosofie van de pedagogie. Voor Freire was analfabetisme een uiting van eeuwenlange uitbuiting en leven onder mensonwaardige structuren. In 1964 wordt hij voor vijftien jaar uit Brazilië verbannen door het militaire regime omwille van zijn gedachtegoed. Freires bekendste boek ‘Pedagogie van de onderdrukten’ verschijnt in 1970 in het Portugees en enkele jaren later in een Nederlandse vertaling.

Freire kwam tot de vaststelling dat mensen die onderdrukt worden, de mechanismen van hun uitsluiting vaak hebben leren aanvaarden als ‘normaal’. Ze zijn gaan geloven dat de dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn’, dat ‘ongelijkheid er altijd geweest is en ook altijd zal blijven bestaan, dat de onderdrukker het uiteindelijk goed met hen voor heeft en dat het in hun eigen belang is om zo goed mogelijk te voldoen aan de eisen en verwachtingen van hun heersers. De stem van de onderdrukker is dus een ‘verinnerlijkte stem’ geworden, waarmee onderdrukten zichzelf gaan disciplineren, straffen of de mond snoeren. De onderdrukten hebben leren kijken naar de samenleving met de ogen van hun onderdrukkers en aanvaarden zo de positie die ze toebedeeld krijgen.
Ze wijten hun ellende niet aan maatschappelijke structuren en mechanismen, maar aan het eigen onvermogen, of ze zien hun lijden als hun lot. Dit leidt volgens Freire tot gevoelens van machteloosheid, onverschilligheid en fatalisme. Dit fatalisme werkt Freire uit in wat hij noemt de ‘cultuur van het zwijgen’: de diepgewortelde overtuiging dat elke opstand of elk verzet zinloos is.

Bevrijding uit deze cultuur van het zwijgen kan plaats vinden, zo toonde Freire aan, door het gaan van een gezamenlijk bewustwordingsproces. Daarbij vertrok hij niet vanuit grote theorieën, maar vanuit de concrete en alledaagse werkelijkheid van de mensen waarmee hij werkte. In dit proces van bewustwording helpen mensen zichzelf en elkaar om meer inzicht te krijgen in de wereld die hen omringt. De wijze waarop Freire dit leerproces opvat, contrasteert sterk met klassieke educatie waarbij de ene (de leraar) alle kennis bezit en die overdraagt naar de andere (de leerling). In het bewustwordingsproces zoals Freire dat voor ogen heeft, staan dialoog en wederzijds vertrouwen centraal. Mensen leren samen de ‘vanzelfsprekende werkelijkheid’ in vraag stellen, ze leren problematiseren en analyseren, ze verwerven opnieuw zicht op de eigen positie in de samenleving, en op de eigen belangen. Ze her-eigenen hun ogen en stem en komen tot spreken. Ze organiseren zich en komen in actie. Freire schrijft dan ook: “Mensen leren lezen en schrijven is dus niet langer een willekeurige zaak van ba, be, bi, bo, bu, van uit het hoofd leren van vervreemdende woorden, maar een moeilijke leertijd om samen de wereld te benoemen.” Doorheen zo’n collectief bewustwordingsproces leren mensen inzien dat de dingen niet hoeven te zijn zoals ze zijn en dat fundamentele verandering wél mogelijk is.

Voor Freire was het verwerven van kritische bewustwording en het ontmaskeren van ideologieën nooit een doel op zich. Groeien in kritische bewustwording is er bij hem steeds op gericht om de concrete basisomstandigheden waarin mensen leven te verbeteren. Inzicht alleen bevrijdt de mens immers niet. Mensen groeien niet in zwijgen, mensen groeien wanneer ze aan den lijve ervaren - via actie en reflectie op die actie - dat ze kunnen ingrijpen in de eigen werkelijkheid, dat ze daadwerkelijk in staat zijn om de dingen rondom hen in beweging te zetten.

In 1975 wordt Freire eredoctor aan de KU Leuven. Bij zijn bezoek aan Leuven wijst hij erop dat dit bevrijdende bewustwordingsproces ook kan ingezet worden in andere contexten, om daar de cultuur van het zwijgen te doorbreken. “Het fatalisme is niet het privébezit van de Latijns-Amerikaanse analfabeten. In Europa is ook veel fatalisme, en voelen de mensen zich objecten van de geschiedenis, niet als subjecten die de geschiedenis maken. Dat fatalisme heeft verschillende oorzaken. Zoals de Latijns-Amerikaanse boeren denken dat hun lot door God gewild is, zo zien de Europeanen de macht van het establishment, van de technologie, van de economische kernen, als onoverwinnelijk, als een soort God.”

Die God ontmaskeren, dat fatalisme doorbreken, dicht bij onze eigen alledaagse werkelijkheid samen inzicht krijgen in de machten die ons bepalen, opstaan uit het bezette denken, de eigen en onze gemeenschappelijke handelingsruimte vergroten, perspectieven op verandering leren zien en realiseren: in deze kritische vormingspraktijk tracht Motief zich te oefenen. De visie van Freire is dan ook bepalend voor de wijze waarop Motief vandaag haar emancipatorisch vormingswerk opvat. Het blijft een permanent zoekproces voor Motief hoe we Freires inzichten vruchtbaar kunnen inzetten binnen onze context en samenleving van vandaag, en met onze deelnemersgroepen. Want die zijn toch wel heel anders dan de omstandigheden waarin Freire, ruim 40 jaar geleden, in Brazilië, met ongealfabetiseerde boeren werkte. Welke onderdrukking ervaren mensen in armoede hier, hoe wordt de handelingsruimte van jonge moslims beperkt, aan welke heersende normen en verwachtingen moeten zij zich onderwerpen omwille van het zogenaamde ‘algemeen belang’? Bovendien beperkt ‘de cultuur van het zwijgen’ zich niet enkel tot deze minderheden vandaag, want ook middenklassers ervaren dat ze tot in hun denken toe bezet worden door allerlei normen en ambities die de samenleving hen als een wortel voorhoudt: Word wat je wil! The sky is the limit! Wie faalt heeft dat enkel zichzelf te verwijten! Welk belangen hebben middenklassers bij het gaan van emancipatieprocessen? Welke bewustwordingsprocessen zijn bij deze groep nodig om naar een meer solidaire houding en een gemeenschappelijke bevrijdingspraktijk te groeien? Het is de geëngageerde visie van een inmiddels overleden Freire die ons inspireert om te zoeken rond deze vragen.

 

Leestips

Van Freire verscheen in het Nederlands:

  • Paulo Freire, Pedagogie van de onderdrukten, Baarn, In den Toren, 1972.
  • Paulo Freire, Culturele actie voor de vrijheid, Baarn, In den Toren, 1974.
  • Paulo Freire, Pedagogie in ontwikkeling. Brieven aan Guinee-Bissau, , Baarn, In den Toren, 1978.

Over Freire verscheen in het Nederlands:

  • Hans Achterhuis, De praxis als eenheid van actie en reflectie, in Filosofen van de Derde Wereld, Bilthoven, Ambo, 1975, 63-81.
  • Johan Devriendt, Denkers en doeners. Paulo Freire. Pedagogie der onderdrukten,http://www.socius.be/tiki-index.php?page=Paulo+Freire+-+pedagogie+der+onderdrukten 
  • Riet Hammen-Poldermans, Paulo Freire – Oskar Negt. Methoden voor bewustwording, Bloemendaal, Nelissen, 1975.
  • Sam Rozemond, Politiek bewust worden. Exemplarisch leren, getoetst aan vormingswerk, onderwijs en alledaagse levenspraktijk, Amersfoort, De Horstink, 1982.

banner-engagement-diversiteit

    banner-schitteren